Door bewuste en inclusieve keuzes te maken bij het bepalen van de doelstelling, het opstellen van onderzoeksvragen en het afbakenen van de onderzoeksgroep, zorg je ervoor dat je inclusief onderzoek doet.

Tijdens deze fase maak je een aantal belangrijke keuzes:

  1. Je bepaalt (samen met je opdrachtgever) hoe het onderzoek bijdraagt aan de oplossing van het probleem dat je in fase 1 vaststelde. Op welke vragen wil je antwoord krijgen met je onderzoek, zodat je beter weet hoe je het probleem kan op te lossen? Dit vormt de doelstelling van het onderzoek.
  2. Je leidt uit de doelstelling de centrale vraagstelling af en splitst die vervolgens op in onderzoeksvragen.
  3. Je maakt een heldere omschrijving van de onderzoeksgroep. Over welke (groepen) mensen wil je informatie hebben met betrekking tot de onderzoeksvraag? En over welke subgroepen wil je uitspraken kunnen doen?

Bij het uitwerken van deze drie punten maak je steeds keuzes. Het is belangrijk om je bij elke keuze af te vragen hoe inclusief deze is: sluit je geen mensen, situaties, kenmerken en/of omstandigheden uit? Zorg ervoor dat je je keuzes steeds goed kunt verantwoorden, dus waarom bepaalde mensen, situaties, kenmerken en/of omstandigheden wel of niet worden meegenomen in je onderzoek.

Hoe pak je het aan?

  • Het is belangrijk om je doelstelling zo concreet mogelijk te formuleren. Ook is het belangrijk om daarbij zo inclusief mogelijk te werk te gaan. Door eerst zo breed mogelijk bestaande kennis te verzamelen kun je daarna zo goed mogelijk verantwoorde keuzes maken voor de doelstelling van het onderzoek.
  • Ga na welke mensen bij het onderwerp mogelijk– naast respondenten - inzichten kunnen bieden. Bijvoorbeeld doordat ze vanuit een ander perspectief bij het onderwerp van het onderzoek betrokken zijn. Denk aan professionals, ervaringsdeskundigen, helpers, vrienden en/of familie.
  • Stel je onderzoeksvragen op in een vorm die past bij de respondenten. Dit kan zijn in heldere taal. Houd er rekening mee dat een andere vorm (bijv. plaatjes of ander (beeld)materiaal) voor respondenten fijner kan zijn.  
  • Ga bij het omschrijven van de onderzoeksdoelgroep na voor welke mensen het onderwerp van het onderzoek direct van belang is.
    • Begin zo breed mogelijk en denk dan na over de kenmerken, situaties of omstandigheden van deze mensen en hun omgeving, zodat je deze mee kan nemen in het beschrijven van je onderzoeksdoelgroep.
    • Pas op dat je goed nadenkt over welke mensen relevant zijn voor je onderzoek en niet alleen focust op mensen met bepaalde kenmerken.
  • Besluit je mensen niet mee te nemen in onderzoek? Stel jezelf dan nog eens de vraag of je daardoor belangrijke inzichten kunt missen. Beargumenteer waarom je bepaalde mensen niet meeneemt in onderzoek, juist als die keuze is ingegeven uit beperkingen in tijd of budget. Geef hierbij aan wat de gevolgen hiervan zijn voor de inclusiviteit van het onderzoek.
  • Formuleer, indien nodig, voor verschillende respondenten op maat gemaakte deelonderzoeken met bijbehorende sub-onderzoeksvragen.
  • Het kost soms meer moeite om respondenten in bepaalde situaties of met bepaalde kenmerken te betrekken bij je onderzoek. Laat dit je niet weerhouden om extra moeite te doen om deze respondenten toch bij je onderzoek te betrekken. Zij kunnen juist hele (aanvullende) waardevolle perspectieven geven op een vraagstuk.