In deze fase bewaak je of het onderzoek zo inclusief mogelijk wordt uitgevoerd en stel je waar nodig bij.

In deze fase

  • controleer je hoe de onderzoeksvragen zijn ‘vertaald’ in het onderzoek naar onderzoeksvragen en -materiaal: passen deze bij de groep(en) respondenten?
  • controleer je de organisatie van het veldwerk: zijn de onderzoekslocaties geschikt voor de respondenten?
  • controleer je of de onderzoekers tijdens het onderzoek in hun taalgebruik en gedrag aansluiten bij de respondenten en of de respondenten zich kunnen herkennen in en prettig voelen bij de onderzoekers.

Het is belangrijk om alert te blijven op inclusie tijdens de uitvoering van een onderzoek. Blijven de eerder vastgestelde aandachtspunten voldoende geborgd? Zijn er onverwachte situaties? Stel het onderzoek zo nodig tussentijds aan.

De ambitie is om tijdens de uitvoering van het onderzoek de respondenten zo goed mogelijk op hun gemak te stellen. Het onderzoek en de onderzoekssetting moet daarom zo begrijpelijk, herkenbaar en laagdrempelig mogelijk zijn.

Hoe pak je het aan?

Locaties

  • Houd in de gaten (en stuur zo nodig bij) of de onderzoekslocaties geschikt zijn om de gewenste groep respondenten te werven. Spreek dus af op locaties die prettig zijn voor respondenten (dus niet altijd alleen ‘steriele’ onderzoeksruimtes). Denk bijvoorbeeld aan minder voor de hand liggende onderzoekslocaties, zoals een school, een buurthuis of bibliotheek. Vraag wel altijd toestemming van de locatie om daar onderzoek uit te kunnen voeren.
  • Zorg voor locaties die goed bereikbaar zijn en makkelijk te vinden zijn voor zoveel mogelijk mensen, ook mensen die minder mobiel zijn. Denk bijvoorbeeld aan een drempelvrije omgeving, automatische deuren, een lift, een invalide- of genderneutraal toilet of extra licht.
  • Hou er rekening mee dat sommige mensen specifieke hulpmiddelen nodig hebben. Je kunt vragen of respondenten nog speciale spullen of begeleider nodig hebben. Denk bijvoorbeeld aan een helper, hulphond, extra licht, grote teksten of software of een schermlezer. Wellicht moet het onderzoek daarop worden aangepast. Reserveer hier dan ook extra tijd voor.

Onderzoeksmateriaal

  • Stem het onderzoeksmateriaal af op de mensen aan wie je het gaat voorleggen. Gebruik bijvoorbeeld korte zinnen, vermijd felle kleuren, maar ook afbeeldingen met te weinig contrast, of gebruik alternatieven om tekst te ondersteunen, zoals afbeeldingen of spraak.

Onderzoekers

  • Het is belangrijk wie het onderzoek uitvoert: liefst mensen die dicht bij de beoogde deelnemers aan het onderzoek staan en in wie zij zich kunnen herkennen.
  • Houd in de gaten (en stuur zo nodig bij) of de onderzoekers die het onderzoek uitvoeren tijdens het veldwerk:
    • hun taalgebruik aanpassen aan de respondenten. Voor sommige respondenten betekent dat een eenvoudiger taalniveau, maar voor anderen kan het nodig zijn om aan te sluiten bij jargon of het taalgebruik van een (sub)cultuur. De betekenis en gevoelswaarde van woorden is niet voor iedereen hetzelfde. Wordt er regelmatig getoetst of de respondent en interviewer elkaar nog begrijpen. Respondenten vinden het soms lastig om verduidelijking te vragen.
    • de vragen aanpassen aan de belevingswereld van de respondent(en), zodat zij zich kunnen herkennen in de vragen die worden gesteld.
    • de invul- of interviewduur aanpassen aan de behoeften van de respondenten
  • Creëer een vertrouwelijke setting. De interviewer en geïnterviewde zijn gelijken.
  • Behandel respondenten op een respectvolle manier. Doe bijvoorbeeld geen aannames over iemands beperkingen of mogelijkheden. Vraag wel of je kunt ondersteunen.