Longreads

Canards, broodje aap-verhalen en nepnieuws

… en hoe RIVM en Voedingscentrum daarmee omgaan

Iedereen is er wel eens ingetrapt: je leest een opvallend nieuwsbericht, dat later nep blijkt te zijn. We hebben het er tegenwoordig veel over. Tijd voor de vraag: is 'nepnieuws' echt iets van deze tijd? En wat doe je als Rijksoverheid, als je geconfronteerd wordt met hele en halve onwaarheden?

Auteur: Paulijn de Bruijne, coördinator Academie voor Overheidscommunicatie

Zeeslangberichten

“Zolang er mensen leven, gedijen fantastische verhalen”, zegt Peter Burger, docent en onderzoeker bij de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media van de Universiteit Leiden. Hij onderzoekt al 25 jaar het verschijnsel ‘nepnieuws’. Er zijn mooie voorbeelden van. Al in 1835 schreef de NY Sun dat een astronoom mensen op de maan had waargenomen, compleet met een afbeelding van deze ‘nieuw ontdekte’ wezens erbij. In Nederland noemde men dit ‘zeeslangberichten’, genoemd naar de steeds terugkerende verhalen over zeemonsters die op zee werden waargenomen. Opvallend was, dat dit soort berichtgeving vooral in komkommertijd in de kranten verschenen. Een mooie manier voor kranten, om ook in slappe nieuwstijden lezerspubliek te blijven trekken met sterke verhalen. En natuurlijk begrijpt de gemiddelde lezer dat het om verzonnen verhalen gaat.

Minder onschuldige voorbeelden zijn nepnieuwsberichten met een politiek motief. Zo brachten de geallieerden in 1917 het verhaal van ‘de gekruisigde Canadees’ de wereld in, om jonge mannen te motiveren mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog. Maar ook recenter verschenen soortgelijke berichten, bijvoorbeeld rond de oorlog om Oekraïne in 2014, die later verzonnen bleken. Deze voorbeelden neigen naar oorlogspropaganda – een middel om groepen tegen elkaar op te zetten.

Nieuws óver nepnieuws

Nepnieuws is dus van alle tijden. Maar met de komst van sociale media is de productie makkelijker geworden en de verspreiding sneller. “Er is een groeiende belangstelling voor nepnieuws,” stelt Peter Burger. “Maar om te beoordelen of het fenomeen ook echt groeit, is het belangrijk twee zaken te onderscheiden die in de gesprekken door elkaar lopen.” Allereerst zijn er de nieuwsberichten zelf, die aantoonbaar en opzettelijk niet stroken met de waarheid. Denk aan bewerkte foto’s, een misleidend onderscheid bij foto’s of verzonnen feiten. Daarnaast heb je heel veel nieuwsberichten óver nepnieuws. Burger: “We zien een stapeling van reacties op reacties, waardoor er sprake is van een mediahype. En ook daarover wordt dan weer gesproken, bijvoorbeeld als Trump stelt ‘you are fake news’ en zelfs de paus zich uitspreekt over het gevaar van fakenews. Het gevolg is dat er een soort morele paniek ontstaat, vooral onder belanghebbenden. Denk aan (verliezende) politici, die bang zijn dat kiezers geleid worden door foutieve informatie. Of nieuwsmedia, die zich geroepen voelen expliciet te melden dat zij ‘echt nieuws brengen’. Dit alles bewerkstelligt juist het tegendeel, namelijk het wantrouwen tegen álle nieuws, ook als het uit betrouwbare bron afkomstig is.”

Bubbels

Reden temeer om de vraag te stellen wat de werkelijke impact van nepnieuws is op het grote publiek. Uit onderzoek van Stanford University onder de meest gedeelde berichten op social media blijkt dat individuele Amerikanen in de hele verkiezingsperiode slechts hooguit één of enkele nepnieuwsberichten zagen, aldus Burger. “Ter vergelijking: wil zo’n bericht echt verschil maken in de uitslag, dan moet het de overtuigingskracht van 36 verkiezingsspotjes op TV hebben. Dat relativeert de impact.”

Er zijn meer factoren die de impact beperken, zeker nu in Nederland. Een eerste is het fenomeen van ‘informatiebubbels’: de relatief gesloten subgroepen waarmee mensen op social media verbonden zijn en waarbinnen informatie circuleert. Hierdoor blijft informatie in de groep hangen. Dit beperkt de verspreiding van ook nepnieuws. Een tweede factor is de Nederlandse taal. “Wij hebben een klein taalgebied, wat ons land minder aantrekkelijk maakt als ‘markt’ voor verzonnen nieuws,” aldus Burger. Ook het feit dat we een relatief stabiel en minder gepolariseerd politiek systeem hebben, verkleint de impact.

En tenslotte gebruiken mensen in Nederland, naast social media ook veel andere informatiebronnen. Hierdoor zijn mensen door de bank genomen minder goedgelovig en minder geneigd nepnieuws op sociale media te delen, zegt Burger. “De grootste groep kan nepnieuws op die manier ‘debunken’. Er is maar een klein groepje fanatieke gelovers die berichten delen in kleine kring. En dan zijn er altijd de twijfelaars, die niet zeker weten of het bericht klopt, maar het delen ‘voor de zekerheid’. Bijvoorbeeld om anderen te waarschuwen tegen criminelen in de buurt.”

‘Everything is fake’

De impact lijkt vooralsnog mee te vallen in Nederland. Dus: niks aan de hand? “Nee”,waarschuwt Peter Burger. “Ik zie een aantal gevaren, waarop we ook in Nederland echt alert moeten zijn”. Allereerst kan een nieuwsbericht de vonk in een kruitvat zijn, en ook juist met die reden verzonnen worden en verspreid worden. Denk bijvoorbeeld aan ‘Pizzagate’ waardoor Hillary Clinton in een kwaad daglicht werd gesteld, of berichten dat asielzoekers een hond mishandeld hebben. Aantoonbaar foutief en in elkaar gezet met foto’s uit heel andere bronnen, maar met potentieel groot effect. “Het is bovendien heel makkelijk om dit soort berichten zelf in elkaar te knutselen. Er is een groep amateurs die dit doet om er wat aan te verdienen, of om mensen te mobiliseren. Maar er zijn ook voorbeelden dat regeringen dit soort berichten maken en verspreiden, om de publieke opinie te beïnvloeden.”

Een tweede gevaar is de ‘balkanisering’: de versnippering van de samenleving in kleine groepen met elk hun eigen bron van informatie. “Het gevaar is dat sommige groepen niet meer bereikbaar zijn met informatie, afgesneden raken van de rest van de samenleving en misschien radicaliseren,” zegt Burger.
Maar het grootste gevaar is misschien nog wel, dat alle factchecking en gepraat over nepnieuws het algemene vertrouwen in nieuws juist ondermijnt, vindt Burger. “Natuurlijk is het goed dat mensen kritisch kijken naar informatie in media en van de overheid. Maar ’everyting is fake’ kan het dominante gevoel worden.”

Het RIVM organiseert en regisseert het Rijksvaccinatieprogramma. Nederland kent nog een hoge vaccinatiegraad, maar een groeiende groep ouders staat kritisch tegenover prikken. Op internet circuleren veel verhalen over mogelijke negatieve gevolgen van vaccinatie. Dit kan variëren van kritische vragen, tot bewijsbaar bewerkte foutieve informatie. Nepnieuws dus, dat bezorgde ouders behoorlijk op het verkeerde been kan zetten. “Vaccinatie is niet verplicht. Voor ons is het belangrijk dat ouders over voldoende en juiste informatie beschikken om de afweging wel/niet vaccineren te maken,” aldus Hella Smit, senior communicatieadviseur.


Ook voor het Voedingscentrum is dit het belangrijkste doel: zorgen dat mensen goed toegang hebben tot de kennis van het Voedingscentrum, naast alle ideeën en tips van zelfbenoemde voedingsexperts. “Vroeger had je de boeken van Montignac en Sonja Bakker, nu kunnen deze ideeën zich snel online verspreiden,” aldus Jovanka Vis, hoofd kennis en communicatie. Het Voedingscentrum spreekt liever van ‘alternatieve feiten’ dan van ‘nepnieuws’.

Wat te doen?

Ook de Rijksoverheid wordt geconfronteerd met ‘alternatieve’ feiten en nepnieuws. Bijvoorbeeld in het domein van de volksgezondheid. Over voedsel en vaccinaties kunnen de meningen behoorlijk uiteenlopen. Dat is ook de ervaring van het RIVM en het Voedingscentrum. Hoe gaan zij om met de hele en halve waarheden? Een aantal lessen op een rijtje.

  • Kies je doelgroep zorgvuldig

    In haar strategie richt het RIVM zich vooral op ouders van jonge kinderen. Deze kunnen door alle berichten op internet behoorlijk gaan twijfelen: wel of niet vaccineren? Daarnaast heeft het RIVM te maken met een groep felle tegenstanders van vaccinatie. “We merken dat zij niet open staan voor informatie van ons en dat het weinig zin heeft in gesprek te gaan,” aldus Karin van Beers, medewerker communicatie RIVM.

  • Investeer in webcare

    Van Beers: “Wij investeren veel in webcare, waardoor we het al snel doorhebben als dit soort berichten verschijnen. We checken dan de inhoud en vooral het bereik: is het een plek waar de ‘twijfelende ouders’ zich oriënteren, of is het bereik beperkt tot kringen die je toch niet kunt overtuigen? In het laatste geval doen wij meestal niets.”

  • Weet wanneer je reageert – en wanneer niet

    Reageren is beter dan negeren en leidt tot minder verlies van vertrouwen, zo blijkt uit onderzoek van het SWOCC. Het Voedingscentrum reageert eigenlijk altijd als een bericht voldoet aan een aantal criteria, zegt Jovanka Vis, hoofd kennis en communicatie bij het Voedingscentrum. “Doorslaggevende factoren zijn: zijn de gedeelde adviezen schadelijk voor de gezondheid, wordt het Voedingscentrum in diskrediet gebracht, is het bereik van het bericht groot, en is er een grote gevoeligheid rond het onderwerp in de samenleving.”

    Het RIVM beperkt zich, na negatieve ervaringen met Facebook, nu tot het corrigeren van aanwijsbaar fout of verouderd nieuws, door middel van een nieuwsbericht en het plaatsen van een verwijzing. Van Beers: “RIVM startte in 2014 een Facebookpagina over het Rijksvaccinatieprogramma. Al snel werd de pagina een bron van negatieve informatie. Er werden links naar antivaccinatiesites op geplaatst, huisregels werden gezien als censuur, en ieder antwoord op vragen leidde weer tot vervolgvragen. Na twee jaar besloten we de pagina te sluiten.”

  • Kies de juiste toon

    Bij gezondheidsvraagstukken is vaak sprake van gevoelens als angst en onzekerheid. En juist als dit soort gevoelens spelen, is er weinig ruimte voor feiten. Vis: “Empathie, meebewegen, persoonlijke interesse tonen, tegenvragen stellen – dat werkt. Ook hanteren we vanuit het Voedingscentrum altijd een positief frame: wat kun je wél doen. Dus geen verboden, maar een positieve norm als uitgangspunt. Ook proberen we te relativeren: de schijf van vijf hoef je niet in één keer te volgen – laat eerst eens de frisdrank staan.”

  • Reageer snel

    Berichten op social media reizen snel, dus snel reageren is belangrijk. En dat blijkt lastig in een ambtelijke organisatie. “Uitzoeken en afstemmen kost toch veel tijd, waardoor we soms te laat zijn,” geeft Van Beers (RIVM) aan.

  • Wees proactief

    Het Voedingscentrum reageert niet alleen op andermans berichten, maar gaat zelf ook de boer op. Vis: “We bezoeken redacties van nieuwskanalen, maar ook bekende gezichten op social media. We maken zelf nieuws en filmpjes die we (betaald) verspreiden. En we hebben natuurlijk onze eigen kanalen, zoals de website, die we met inkoop van Adwords goed vindbaar maken.”

  • Laat anderen voor je spreken

    Het RIVM weegt zorgvuldig af op welke podia zij zich presenteert als instituut, en waar anderen – bijvoorbeeld jeugdartsen – geloofwaardiger zijn. Het Voedingscentrum werkt graag met experts en ambassadeurs van binnen en buiten de organisatie, die speciaal opgeleid worden.

  • Zoek andere manieren van contact

    Uiteindelijk is de vraag of alle inspanningen om online de groep ‘twijfelaars’ te bereiken opwegen tegen het effect. Daarom zoekt RIVM nu ook andere manieren om ouders te bereiken. “Denk aan het verlengen van de afspraken op het consultatiebureau en het trainen van jeugdartsen, zodat zij hun feiten op orde hebben. Ook zo kun je ouders helpen bij hun afweging.”

Reactie toevoegen

U kunt hier een reactie plaatsen. Ongepaste reacties worden niet geplaatst. Uw reactie mag maximaal 2000 karakters tellen.

Uw reactie mag maximaal 2000 karakters lang zijn.

Reacties

Er zijn nu geen reacties gepubliceerd.