Discoursanalyse zaak Vaatstra

Annette Klarenbeek, lector Communicatie aan de Hogeschool Utrecht, ontwikkelde een interactieve communicatie-aanpak voor de zaak Vaatstra. "Communicatieprofessionals zouden zich meer als taaldetective moeten gedragen: goed luisteren naar wat tussen de regels door wordt gezegd. Door met een discoursanalystische bril te kijken naar taal leren we onze doelgroepen beter kennen en begrijpen en letterlijk de taal te spreken van onze omgeving."

Tussen de regels door luisteren

Annette Klarenbeek past de discousanalyse regelmatig toe, zowel op ‘live gesprekken’ als op gesprekken in de social media: “Bij reageren en aanhaken op een bestaand gesprek zijn twee zaken cruciaal”, zegt Klarenbeek: “de timing en de toon. Met timing bedoelen we: neem de tijd om te monitoren wat er online gebeurt, actief te kijken, te ontdekken waar en bij wie de zorgen zitten. En toon gaat erover dat je je criticasters serieus neemt, dat je ze recht van spreken geeft, en ze niet monddood maakt door hun mening te bagatelliseren.”

De Vaatstra-zaak

Tijd nemen en de doelgroep serieus nemen waren ook twee kenmerken die speelden bij de oplossing van de zaak Vaatstra. Marianne Vaatstra werd op zestienjarige leeftijd verkracht en vermoord. Zij was onderweg van Kollum naar haar ouderlijk huis in Zwaagwesteinde en werd vlak bij Veenklooster gevonden. Om een doorbraak in de opsporing van de dader te forceren, zou er grootschalig DNA-onderzoek uitgevoerd gaan worden. Annette Klarenbeek werd gevraagd om te adviseren bij de communicatiestrategie die ervoor moest zorgen dat 8080 mannen in de leeftijd tussen 16 en 60 en woonachtig in een straal van 15 kilometer rond het plaats delict zich zouden melden voor het afstaan van hun DNA.

In plaats van direct een oproep te plaatsen, is een tussenfase ingebouwd: men wilde eerst de betrokkenen beter leren kennen om te achterhalen wat de beste manier was om de mannen te motiveren om hun DNA af te staan. Een discoursanalyse van deze gesprekken leidde tot het inzicht dat niet alleen de mannen moesten worden aangesproken, maar het hele gezin – en dat aandacht gegeven moest worden aan de zorgen over eventuele nog  onbekende verwantschappen. Uiteindelijk heeft deze aanpak geleid tot een andere houding onder de gemeenschap: een verschuiving van ‘argwaan’ naar ‘kans dat de moord wordt opgelost’. Er was een massale opkomst van 92% voor het DNA-verwantschapsonderzoek, en de dader is op basis van een DNA-match aangehouden.

Bij een discoursanalyse kijk je naar de manier waarop mensen tijdens gesprekken met anderen zelf al betekenis geven aan kwesties die hen bezighouden. De discursieve psychologie gaat ervan uit dat we in onze gesprekken met anderen (hoewel meestal onbewust) vaak het doel hebben om anderen ervan te overtuigen dat wat je zegt of doet vanzelfsprekend is; we willen immers geloofwaardig overkomen. De manier waarop we ons uitdrukken en de woorden die we kiezen om zaken te beschrijven zijn dus niet willekeurig of neutraal.

Altijd staat op het spel dat wij niet geloofd worden, dat we van iets beschuldigd kunnen worden. Om dit te voorkomen hanteren we (al dan niet bewust) gespreksstrategieën die veel zeggen over gevoeligheden en twijfels die er leven. We benadrukken bijvoorbeeld dat we een goede ouder zijn als we aangeven dat we erg betrokken zijn bij de studiekeuze van onze kinderen. Of iemand die op dieet is, beschrijft een terugval als een logisch gevolg van de situatie waarin hij is terecht gekomen. Daarmee voorkomt hij dat hij beschuldigd kan worden van een gebrek aan controle of zelfdiscipline.

De taal van de omgeving

De zaak Vaatstra laat zien hoe bepalend het kan zijn om in de beginfase rust in te bouwen om actief te luisteren – als voorwaarde om adequaat te kunnen reageren. "Door als communicatieprofessional oog te hebben voor wat er in gesprekken gebeurt, kun je tot verrassende inzichten komen”, houdt Klarenbeek ons voor. “Je kunt rekening houden met wat mensen tussen de regels door zeggen. Het helpt je om letterlijk ‘de taal van je omgeving’ te spreken."